Wij zitten naast elkaar in een strandstoel, Filip en ik. Kan gebeuren als je op vakantie bent, zou je denken, alleen zitten we niet op een zonnig strand met zicht op zee, maar op een plein in een Frans dorp, keurig zoals het hoort, in de schaduw van een plataan. Ons zicht is grotendeels belemmerd door de schragentafel die we hier vroeg in de ochtend, nog half in het duister, hebben opgesteld. Op het tafelblad, ervoor en ernaast liggen spullen uitgestald die we hopen voor een paar euro’s van de hand te kunnen doen. Ondertussen staat de zon al hoog aan de hemel en begint er aardig wat volk voorbij te lopen. Een oude man met een onverzorgde baard en een versleten t-shirt over zijn buik gespannen blijft voor ons kraam hangen. Terwijl hij voor zich uit staat te staren, steekt hij een zelfgerolde sigaret op. Ik probeer in te schatten waarin hij geïnteresseerd kan zijn, maar merk dan dat hij vermoedelijk gewoon op adem staat te komen van zijn wandeling tot hier. De meeste bezoekers van deze marché aux puces zijn locals die hier op zondagmorgen de kraampjes afschuimen en daarna een pastis gaan drinken op een terras wat verderop. Zij inspecteren en bekritiseren onze koopwaar, en wij bekijken en becommentariëren hen. Zo gaat dat op een rommelmarkt.
Terwijl ik een mevrouw met een ouderwets bloemetjesjurk te woord sta, die informeert naar de prijs van een paternoster, hoor ik hoe de rokende man Filip aanspreekt. Zijn blik is gericht op de hoek van onze tafel waar een stapeltje kaartspelen ligt, nieuwe, nog nooit gebruikt. 50 cent per pakje, zegt Filip. De man zet een stap dichterbij. Om zijn handen vrij te maken, steekt hij zijn sigaret tussen zijn lippen en grijpt dan naar het bovenste doosje kaarten. Dat is een goed teken, denk je dan als beginneling, al weet ik ondertussen ook dat rommelmarkt-gangers vaak niet echt geïnteresseerd zijn in je koopwaar. Ze willen gewoon hun verhaal kwijt, wetenswaardigheden over een antiek stuk verkondigen of een persoonlijke herinnering ophalen over een of andere oude kandelaar die ze vroeger thuis ook hadden. Als je gelukt hebt, beëindigen ze hun vertelling door je een paar euro’s toe te steken alsof ze dankbaar zijn dat je naar hen hebt geluisterd. Maar evengoed leggen ze het voorwerp dat het verhaal had getriggerd terug neer en lopen ze verder.
Ook de vrouw van de paternoster leek me eerst zo’n type. Spijtig, zegt ze, ik had er nog maar een nieuwe gekocht voor mijn kleindochter haar communie. Toch pakt ze de gebedsketting uit het doosje en lijkt ze te willen voelen hoe deze in de hand ligt. Of ze hier paternosters als communiegeschenk geven, vraag ik, niet omdat het mij echt zo interesseert om eerlijk te zijn, maar wel om het verkooppraatje wat op gang te houden. Bovendien kan het misschien wel interessante informatie opleveren over de marktwaarde van mijn koopwaar. Tuurlijk, het is uiteindelijk toch een katholiek feest, zegt ze. Sommige geven van die grote cadeaus, maar daar doe ik niet aan mee, zegt ze resoluut. Waarna ik de illusie over die hogere marktwaarde maar meteen weer opberg. Ondertussen speelt ze verder met de paternoster en laat ze elk van de 59 gebedskraaltjes langzaam tussen haar vingers glijden. Ieder bolletje wordt gecontroleerd op mankementen. Haar gebedjes vorderen gestaag en lijken haar te overtuigen om tot een aankoop over te gaan. Maar niet vooraleer ze eerst nog mijmerend herinneringen ophaalt aan haar eigen communie zo’n vijftig jaar geleden. Ik besef dat ik nog wat geduld moet uitoefenen om mijn 2€ te kunnen cashen, maar ik heb alle tijd om het schouwspel te observeren. Want ineens zie ik geen oude vrouw meer, maar een klein meisje dat opsomt welke cadeautjes ze allemaal heeft gekregen en van wie.
Ik luister met één oor, maar probeer ondertussen ook de stand van zaken op te volgen over de verkoop van de kaartspelen. De man staat nog steeds voor ons kraam met een spel kaarten in zijn handen. Zijn sigaret beweegt op en neer tussen zijn lippen terwijl hij praat tegen Filip. Ik ga elke dag kaarten, hoor ik hem zeggen, daar in dat café. Met zijn hoofd wijst hij naar de hoek van het plein waar zijn stamcafé zich situeert. Terwijl hij praat houdt hij zijn blik niet af van zijn handen, waarin hij het doosje heeft leeg geschud en de kaarten nu één voor één door zijn handen laat gaan. Ze zijn volledig hoor, nog nooit gebruikt, zegt Filip, om hem het werk te besparen ze allemaal te gaan tellen. Hij knikt, maar doet onverstoord verder. De as van zijn sigaret bungelt vervaarlijk aan de half opgebrande peuk waardoor ik even vrees dat die zo meteen op mijn nieuw pakketje kaarten zal terechtkomen. Dan kijkt hij eindelijk terug op en zie ik dat hij de kaarten niet aan het tellen was, maar ze in twee pakketjes heeft verdeeld. De ene helft legt hij terug op onze tafel. Deze heb ik niet nodig, zegt hij. Filip en ik kijken wat sip naar het half pakje kaarten dat we terugkrijgen, maar zeggen niets. Want de man heeft nog interesse in een paar extra pakjes. Al hopen we allebei dat hij nu niet elk pakje zal beginnen uitsplitsen. Daar lijkt hij zelf gelukkig ook geen zin meer in te hebben. Vooraleer hij een volgend pakje uitkiest, tikt hij nu ook het torentje as van zijn sigaret af op de grond. Ik neem 3 pakjes, komt altijd van pas, zegt hij. We komen tot een deal over de prijs. Maar wie gedacht had dat de verkoop hiermee in kannen en kruiken was, is eraan voor de moeite. Terwijl hij met zijn hand in zijn broek naar geld tast, vertelt hij dat hij in het leger zat in Afrika, na zijn legerdienst in Lyon heeft gewoond en daarna vele jaren in Parijs waar hij ook elke dag ging kaarten. Hij kijkt nu naar de munten die hij uit zijn zak heeft gevist, zoekt naar gepast geld en gaat ondertussen verder met zijn verhaal. Dat hij nu op pensioen is en terug hier woont, in Agen, de stad waar hij was opgegroeid. Hier heeft hij zijn jeugd beleefd. Hier ging hij dansen op zondag, in een dansgelegenheid. Geen dancing zoals we die nu kennen, zegt hij, het was een gewone zaal en in het midden stond er een kacheltje. Een bulderende rokerslach pruttelt uit zijn lijf, een simpel kacheltje, kan je je dat voorstellen? Hij ademt nog wat onregelmatig na van het lachen en steekt me dan een twee-eurostuk toe. Ik geef één euro terug. Hij knikt, steekt de kaarten in zijn schoudertasje en bedankt ons. Merci à vous, zeg ik. Ineens zie ik niet meer die oude vermoeide man met zijn vaal en veel te kleine T-shirt, maar een opgeklede jonge gast, dansend rond een kachel.


Altijd heel benieuwd naar jouw reactie!