Voor een schrijfcursus kreeg ik de opdracht een blog te schrijven over het schilderij ‘Nighthawks’ van Edward Hopper. Dat is een klassiek werk met een nachtelijk tafereel van zo’n typisch Amerikaanse eetcafé, ook wel diner genoemd. Ik had dat werk al ooit gezien, maar om er een blog over te schrijven, leek het met toch interessant wat extra informatie op te zoeken.
Zo kwam ik te weten dat het was geschilderd begin de jaren veertig van de vorige eeuw. Naar het schijnt zou Hopper eraan zijn begonnen de dag na de aanval op Pearl Harbor. Voor Amerika was dat het begin van hun betrokkenheid in de Tweede Wereldoorlog. Alle kunstcritici leken het erover eens dat Hopper in dit werk onmiskenbaar uiting gaf aan de oorlogsdreiging, de algemene depressie en de eenzaamheid van mensen in een grote stad… Dat leidden ze af uit de donkere desolate sfeer, het bevreemdende fluorescerende licht, de verlaten straten, het feit dat er geen deur zat in het café waardoor het op een aquarium leek, de voelbare psychologische spanning tussen de personages… Wel, ik heb daar mijn bedenkingen bij.
Hopper zelf had een hekel aan dat soort interpretaties! Volgens de kunstschilder had hij gewoon zin gehad om een café te schilderen. Hij had zich daarbij gebaseerd op een bestaand café in New York waar hij wel eens kwam en had zijn vrouw gevraagd te poseren voor het vrouwelijke personage en de mannen waren varianten van schetsen van zichzelf. Desolate sfeer? Tja, zo’n diner was nu eenmaal vooral open in de late uurtjes, op een moment dat er nog weinig volk op de been was buiten. En dat vreemde licht? Dat was gewoon het effect van neonlicht, wat nieuw was in die tijd. Waarom hij geen deur had geschilderd, had hij niet gezegd, maar misschien zouden die extra lijnen in het midden het zicht op het interieur hebben verstoord of misschien viel de deur rechts net uit beeld? Het was in ieder geval absoluut niet zijn intentie geweest een gevoel van dreiging of eenzaamheid uit te beelden.
Toen ik dit las moest ik denken aan de Rorschachtest. Een psychologische test die ik in een ver verleden nog heb afgenomen tijdens mijn studie Psychologie. De test bestaat uit een reeks kaarten met daarop doodgewone inktvlekken. In eenzelfde vlek ziet de ene twee dansende beren met rode feesthoedjes op, de andere een kop van een platgereden kat met bloedende ogen, en nog een andere een opengesperde vagina… Dat kan allemaal. Er zijn geen goede of foute antwoorden. Voor de patiënten is het de makkelijkste test ooit. Voor de psycholoog daarentegen is die wat ingewikkelder. Hij (of zij!) moet de antwoorden interpreteren en daaruit kenmerken afleiden over de persoonlijkheid van de cliënt. Toch vond ik de test interpreteren niet het moeilijkste. Het was duidelijk dat mensen die dansende beren zagen vrolijker van inborst waren dan de platte-kat-mensen… Nee, het lastigste was de test afnemen. Ik herinner me nog dat ik daar zat, als piepjonge onervaren stagiaire, in een psychiatrische ziekenhuis, in een uithoek van het gebouw, ergens in het kleinste bureautje van de afdeling dat was voorbehouden voor beginnelingen zoals ik, met vlak tegenover mij een volwassen man die bij elke prent de meeste perverse antwoorden op me afvuurde… Ik kan je verzekeren dat er een heel raar sfeertje hing in dat bedompte lokaaltje en dat ik opgelucht was toen ik die man terug naar zijn kamer kon laten vertrekken.
Maar goed, ook uit negatieve ervaringen neem je levenslessen mee, en hieruit heb ik vooral onthouden dat mensen niet zien wat er is, maar zien wat resoneert met hun innerlijke geestesgesteldheid. En daarom stel ik mij dus ook vragen bij de interpretaties van kunstcritici. Is niet elk kunstwerk uiteindelijk ook een beetje een Rorschachtest? Wat zij in dat werk menen te zien, toont dat niet in eerste instantie hoe zij zich voelen? Zij ‘zien’ bijvoorbeeld een gebrek aan communicatie tussen die figuren, maar als je met een andere blik kijkt, kan je evengoed veronderstellen dat de barman net iets zegt tegen het koppel, toch? Bij de ene zal dit tafereel resoneren met een fundamenteel gevoel van eenzaamheid, bij de andere met onbewuste angstgevoelens. Voor nog anderen moet het misschien worden verbannen, van de muur gehaald, omdat het een platvloerse verheerlijking is van de patriarchale machocultuur! Of hoe kan je die blinkende koffieautomaten op de achtergrond anders interpreteren dan als twee opzichtige en opdringerige fallussymbolen?
…
Of is dat mijn stagiaire-trauma dat opspeelt?


Laat hier een reactie na